Terugblik van Remmelt de Boer als voormalig CFTO-lid

Per 1 september 2017 heeft Remmelt de Boer afscheid genomen van de CFTO. De Boer is vanaf de start in 2011 betrokken geweest bij het uitbrengen van adviezen over voorgenomen fusies. Hoe hij op die tijd terugkijkt, beantwoordt hij in zes vragen.

Remmelt de Boer, Vice-voorzitter CFTO

Wat waren voor u de afgelopen jaren bijzondere fusies?

Er waren nogal wat fusies die meer dan normale aandacht van me hadden. Zowel grote als kleine fusies. Als voorbeeld van een kleine fusie noem ik die in Weststellingwerf, een gemeente met veel kleine dorpen. Daar komt krimp hard aan. Meteen als er één of enkele gezinnen verhuizen heeft dat effect op een lokale school. Zo ook in het dorp Munnekeburen. Ik vond het verwarmend hoe ouders daar betrokken waren om zowel de openbare als de protestants-christelijke school open te houden. Wel door te fuseren, maar dan met écht behoud van eigen identiteit.

En natuurlijk staan mij ook grote fusies bij, zoals ROC Leiden en het ID College in Gouda. Voor het ROC in Leiden dreigde een acuut faillissement. Een voorbeeld van verkeerd ingeschat management: stenen soms centraler dan de studenten. Maar met een uiteindelijk positief resultaat. De CFTO heeft hier kunnen bijdragen aan het borgen van een gedegen lokaal besluitvormingsproces. Ook voormalig minister Bussemaker speelde daarbij een prima rol.

U heeft veel fusies meegemaakt. Aan het begin zal het vast ‘zoeken’ zijn geweest naar een goede werkwijze?

De CFTO had bij de start in 2011 niets om op terug te vallen. Dat betekende zoeken naar een goede werkwijze. Deze is gevonden en met de tijd sterk geprofessionaliseerd. Zowel door eigen ervaring als door een kritische houding van buitenaf. Dit gold voor diverse schoolbesturen en zeker ook voor OCW. Die kritische houding heeft positief uitgepakt voor de kwaliteit van de adviezen van de CFTO. We hebben daarnaast veel te danken gehad aan onze oud-voorzitter, wijlen Fons van Wieringen. Hij stond tijdens zijn tijd bij de Onderwijsraad aan de basis van de fusietoets. Binnen de commissie hield hij met zijn kennis en inzicht de discussies scherp.

Bij een fusie spelen vele belangen mee zoals die van bestuurders, personeel en leerlingen en hun ouders. De minister heeft een verantwoordelijkheid voor het onderwijsstelsel en de regio. En ook gemeenten en andere scholen hebben hun eigen belangen. Hoe weeg je alle belangen goed tegen elkaar af?

Voor mij staan de belangen van ouders en kinderen, en in het mbo die van de studenten, altijd centraal. Onderwijs is er tenslotte voor de kinderen en voor de opvoeding die ouders ook via de school willen meegeven. De belangen van aanpalende betrokkenen, zoals de gemeenten, komen daarna. Dit geldt zeker voor het primair en voortgezet onderwijs. Gemeenten moeten randvoorwaarden  goed invullen. Ouders en, via hen, de besturen bepalen het (inhoudelijke) beleid.

De medezeggenschap heeft een belangrijke rol bij fusies, een rol die in diverse onderwijswetten is neergelegd. Hoe kan een school de (G)MR goed betrekken? Wat kan de (G)MR zelf doen?

De (G)MR moet durven. Dat houdt ook in: voldoende deskundigheid bezitten om voor besturen een stevige gesprekspartner te zijn. MR-en moeten ook niet afwachten maar proactief bezig zijn met de toekomst van hun school. Ik merkte dat de studentengeleding in het mbo dat ook vaak doet. Gelukkig. Een goede directie zal blij zijn met deskundige en betrokken medezeggenschapsorganen. Daar kunnen bestuur en directie alleen maar profijt van hebben.

Noot: advisering over fusies in het MBO geschiedt met ingang van 1 augustus 2017 door de Commissie Macrodoelmatigheid MBO.

De CFTO doet continu praktijkervaringen op, bijvoorbeeld in krimpregio’s en de uitwerking van beleidsontwikkelingen zoals Passend Onderwijs. Zijn die ervaringen ook nuttig voor het beleid van OCW?

Jazeker. Daarbij is belangrijk dat OCW openstaat voor een kritische beoordeling van beleid en inziet dat positief kritische reacties bedoeld zijn om getroffen beleidsmaatregelen zo goed mogelijk te implementeren. Dat vraagt om een evaluerende houding. Het passend onderwijs is een mooi voorbeeld: kun je verwachten dat de kwaliteit van het onderwijs verbetert als leerkrachten continu te maken hebben met een instroom van leerlingen die elk om specifieke aandacht vragen? En is krimp wellicht ook op te vangen door in het beleid te streven naar verlaging van de opheffingsnormen of verlaging van de stichtingsnormen? Gelukkig zijn dit vragen die het nieuwe kabinet duidelijk adresseert. In het regeerakkoord staat dan ook dat ouders de mogelijkheid moeten hebben om een school te kiezen die past bij hun overtuiging.

In het rapport ‘Praktijkervaringen’ [LINK] uit 2015 heeft de CFTO voorgesteld om ook de visie van samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs op te nemen in de fusie-effectrapportage. Dit vergroot de lokale betrokkenheid. Deze aanbeveling is overgenomen bij de wijziging van de beleidsregels rond de fusietoets in augustus 2017. Dat is winst.

Een volgende aanbeveling uit de praktijk, die de lokale besluitvorming nog verder kan versterken, is het in de FER opnemen van een reactie van de (G)MR-en op de adviezen van  gemeenten en samenwerkingsverbanden. Ook kan de medezeggenschap de bevoegdheid krijgen om instemming te verlenen bij pseudofusies, zoals personele unies en holdingconstructies.

De adviesrol van de CFTO aan MR-en is vrij nieuw. Hoe kun je die rol in de praktijk zinvol vormgegeven?

De CFTO mag zich nóg nadrukkelijker presenteren bij de (G)MR-en van scholen die betrokken raken bij (vormen van) fusie. Aan de commissie zou ik willen zeggen: ga uit van eigen kracht. Door alle opgebouwde ervaring en kennis heeft de CFTO medezeggenschapsraden veel te bieden. Bijvoorbeeld door te adviseren over hoe goed te kunnen participeren in een fusieproces.

Remmelt de Boer kijkt terug op zes boeiende jaren als lid van de CFTO. In deze periode heeft de commissie ruim 200 adviezen afgegeven over fusies in het primair en voortgezet onderwijs, het speciaal onderwijs en het mbo.